Ename Historisch

Ename, een 1000-jarig verleden

Het is in een context van politieke spanningen en militair verweer dat Ename voor het eerst in de geschiedenis naar voren treedt.

Door het Verdrag van Verdun in 843 werd het grote eenheidsrijk van Karel de Grote opgesplitst in drie delen: West-Francië (ongeveer het latere Frankrijk), het Middenrijk dat zich uitstrekte van Friesland tot centraal Italië, en Oost-Francië (ongeveer het latere Duitsland). De politieke kaart herschikte zich en vanaf 925 kwam het Franse en het Duitse Rijk aan de Schelde tegenover elkaar te staan.

Om de westgrenzen van zijn rijk te beschermen, richtte de Duitse keizer Otto II (973-983) drie belangrijke versterkingen op langs de rechteroever van de Schelde. Samen met Antwerpen en Valenciennes, werd Ename in 974 gesticht als hoofdplaats van een markgraafschap, een strategisch gelegen grensgebied dat de verdediging van de rijksgrens moet verzekeren.

Kaart van Europa omstreeks 1000

De Enaamse burcht werd in ca. 974 opgetrokken. Rond die sterkte ontwikkelde zich spoedig een handelsnederzetting die van hogerhand steun kreeg. Er werd markt gehouden, tol geheven en een haven uitgebouwd. De site evolueerde tot een prestedelijke woonkern die een hoge bloei kende, getuige de aanwezigheid van twee stadskerken, respectievelijk aan Sint-Salvator en Sint-Laurentius toegewijd. In een document, dat bekend staat als de Auctarium Affligemense, werd Ename omstreeks 1005 beschreven als de belangrijkste vestiging in het hertogdom Lotharingen.

Reconstructie van de handelsnederzetting in Ename

De versterkte burcht bestond uit een donjon, een omwalling, een paleisgebouw en één of meerdere houten gebouwen, en werd omstreeks het jaar 975 gebouwd. De donjon (of meestentoren) had muren van 3 m dik en was 25 tot 30 m hoog. In die tijd kan een dergelijke donjon als een meesterwerk van constructie beschouwd worden.

De burcht van Ename

In 1033 echter werd de versterkte burcht van Ename ingenomen en verwoest door Boudewijn IV, graaf van Vlaanderen, wiens troepen de Schelde overstaken om het Ottoonse rijk aan te vallen. In 1047 nam zijn zoon Boudewijn V definitief bezit van Ename, waarbij hij de plaats een totaal andere bestemming gaf. Om de locatie elk militair belang te ontnemen, stichtte zijn vrouw er een benedictijnenabdij, bovenop de overblijfselen van de vroegere grensstad. Alleen de Sint-Salvatorkerk, de officiële kerk van de Ottoonse nederzetting, bleef overeind. Ook de Sint-Laurentiuskerk, in de landbouwnederzetting een paar honderd meter verder, bleef intact. De kooplieden en de ambachtslui verlieten de plaats en zochten een nieuw onderkomen in de pas gestichte stad Oudenaarde, een paar kilometer verder aan de andere kant van de Schelde.

In de daarop volgende eeuwen bleef de abdij van Ename het centrum van het leven in het dorp. Boeren en werklieden vestigden zich rondom de abdij, en genoten een zekere voorspoed door te werken voor de abdij.

De abdij van Ename omstreeks 1663

Dit bleef zo tot 1794 wanneer de revolutionaire regering van Frankrijk de abdij van Ename voorgoed liet sluiten. De gebouwen werden afgebroken door de Parijse firma Paulée en de stenen verkocht, onder meer om huizen in Ename mee te bouwen. Slechts twee gebouwen bleven overeind. Het jongste gebouw van de abdij - de proosdij gebouwd in 1768 - werd omgevormd tot buitenverblijf door de vooraanstaande familie van Hoobrouck de Fiennes. Het prestigieuse abtsgebouw werd omgebouwd tot paardenstallen. Op het eind van de 19de eeuw verviel het buitenverblijf tot ruïne, en werden de gebouwen gesloopt, zodat alleen nog weiden en tuinen overbleven.

De voormalige proosdij van de abdij aan het eind van de 19de eeuw